Gaat ’t wel goed met de bijen?

 

door Freek Driessen

 

Over de vraag of het met de bijen in het algemeen goed gaat valt te discussiëren. Maar de bijen in de Overtuin hebben weinig te vrezen

 

De titelvraag is - met stip - de meest gestelde vraag als bezoekers, al dwalend door de Overtuin, plots voor de Bijenstal staan en mij daar treffen. Nou, met mijn bijen gaat het gelukkig uitstekend, met honingbijen gaat het sowieso niet slecht; zij hebben het geluk, dat er imkers zijn die zich om hen bekommeren. Heel anders is echter gesteld, met de ca. 358 wilde bijensoorten (waartoe we ook de 25 hommelsoorten rekenen), die er nu nog in Nederland zijn.

Het Nederlandse platteland is het afgelopen decennium veranderd in een groene ‘woestijn’, wat resulteerde in een schrikbarende achteruitgang van soorten en aantallen.

Hoe anders is het in het stedelijk gebied, in Warnsveld, in de Overtuin. In het vroege voorjaar – nog voordat in maart de Opentuindagen beginnen - is het fijn dat bijen niet ver hoeven vliegen om een overvloed aan bontgekleurd stuifmeel te vinden in de bloeiende stinzenplanten. Stuifmeel, veel stuifmeel is er in die tijd nodig voor het voeren van de bijenlarfjes en de jonge bijen in de kasten.

Maar al snel vliegen de honingbijen verder dan de grenzen van de Overtuin, tot wel drie kilometer. De wilde bijensoorten kunnen veelal niet verder dan 100 – 200 meter vliegen. Belangrijk voor hun gezondheid is dan dat ze kunnen kiezen uit een rijke verscheidenheid aan bloemsoorten, die precies dat stuifmeel of die nectar bieden die het volk op dat moment nodig heeft.

Zo’n 25 jaar geleden volgde ik een cursus bijen houden. Allengs veranderde de manier waarop ik omga met mijn bijen; ik zou mezelf nu als biologisch-dynamisch imker willen omschrijven. Ik denk meer oog te hebben gekregen voor hoe de bij wil leven, wat haar gezond houdt en welke ondersteuning ik haar daarin kan geven.

Een fenomeen dat in die zin van nauwelijks te overschatten waarde is, is het zwermen, een natuurlijke vorm van voortplanting. Waar een bijenvolk in de winter slechts uit zo’n 2.000 bijen bestaat, neemt dat aantal in het voorjaar razendsnel toe, als de koningin tot wel 2.000 eitjes per dag legt. In mei zitten er in een kast wel 50.000 bijen! In deze tijd kan in het volk besloten worden om te gaan zwermen. De helft van het bijenvolk met hun koningin, verlaat dan rond het middaguur op een zonovergoten dag de bijenkast, om – na een korte tussenstop, vlakbij de oude kast -  op zoek te gaan naar een nieuwe woning. Het is een fascinerend schouwspel, angstaanjagend voor de leek, onhandig voor de meeste imkers (want qua tijdstip tamelijk onvoorspelbaar en in een doorsnee achtertuin niet echt praktisch), maar in de Overtuin kan het probleemloos en is het voor mij –en misschien ook wel voor de bijen – letterlijk en figuurlijk een hoogtepunt in het jaar.

 

De honing van Freek zijn bijen wordt tijdens de Opentuindagen verkocht.